Coccidiose bij vleeskuikens
Coccidiose infecties bij vleeskuikens worden veroorzaakt door de parasiet van het geslacht Eimeria. De meest voorkomende soorten coccidiose bij vleeskuikens zijn de Eimeria Acervulina, E. Maxima en de E. Tenella. Er bestaan wel meer dan 100 soorten, maar deze komen bij reguliere vleeskuikens niet voor, omdat de cylcus van deze soorten langer duurt of vleeskuikens er niet gevoelig voor zijn.

Om de coccidiose druk bij vleeskuikens onder controle te houden wordt er in de sector standaard gebruik gemaakt van anti-coccidiosemiddelen in het voer. Wanneer echter een coccidiose middel voor langere tijd wordt gebruikt, bestaat het risico, dat de coccidiose oöcysten hier minder gevoelig voor worden. Dit wordt ook wel resistentie genoemd. Om deze resistentie zoveel mogelijk te voorkomen wordt er veel gebruik gemaakt van rotatie van anticoxmiddelen. Daarnaast is het ook mogelijk om te enten tegen coccidiose om de resistentie ontwikkeling van de oöcysten te doorbreken.
Er bestaan 2 soorten anticoccidiose-middelen: chemische middelen en de zogenoemde ionoforen.
Tot de chemische middelen behoren onder andere Nicarbazine, Deccox, Clinacox en Robenidine. De werking van een chemisch middel is erop gebaseerd, dat de Eimeria die voor dit middel gevoelig zijn, afgedood worden. Dit heeft wel tot gevolg dat de niet gevoelige soorten hierdoor niet geremd worden en dus harder kunnen groeien.
Een nadeel van chemisch middelen is dat de kuikens bij gebruik van deze middelen zelf geen immuniteit op kunnen bouwen en dat er eerder resistentie tegen deze middelen ontstaat, waardoor ze maar 1 of 2 keer succesvol toegepast kunnen worden. Een ander nadeel van chemische middelen is dat ze alleen werken tegen de betreffende Eimeria soort en geen antibacteriële werking hebben. Chemisch middelen doen dus niets tegen clostridium.
De zogenoemde ionoforen werken op een heel andere manier dan de chemische middelen. Deze middelen remmen de Eimeria parasiet, maar laat wel een aantal oöcysten door, waardoor het kuiken ook zelf immuniteit tegen de Eimeria soort kan opbouwen. Hierdoor zijn deze middelen gedurende langere tijd inzetbaar. Echter om een optimale werking tegen coccidiosis te krijgen is het goed om te werken met een rotatieprogramma.
Uitgangspunt hierbij is dat er regelmatig gewisseld moet worden van werkzame groep. een ionofoor uit dezelfde groep kan 3 rondes achter elkaar worden ingezet. Chemische middelen mogen maximaal 1 keer per jaar worden ingezet, omdat er anders resistentie kan ontstaan voor dit middel. Vaccineren zou ook onderdeel uit kunnen maken van een rotatieschema om de coccidiose druk te verlagen. Hierbij is het wel raadzaam, dat er dan 3 rondes achter elkaar gevaccineerd worden en dat er in die periode geen anticoxmiddelen in het voer worden ingezet.
Het meest gebruikte anticoxmiddel in de vleeskuikensector is maxiban, dit is een combinatie van een chemisch middel (Nicarbazine) en een ionofoor (Narasin). Dit middel kan het beste in de winter worden ingezet, omdat het naast een goede werking tegen coccidiosis ook de clostridium bacterie aanpakt. Wel bestaat er bij dit middel een klein risico op het voorkomen van hittestress bij kuikens, waardoor sommige vleeskuikenhouders dit middel in de zomer niet in willen zetten. In de zomer zou de Maxiban dan mooi afgewisseld kunnen worden met een middel uit een andere groep om eventuele opbouw van resistentie te voorkomen.
Gedurende de leegstand periode is het belangrijk om de stal goed schoon te maken (werk hierbij met een schuimmiddel om in te weken) en te ontsmetten om de infectiedruk omlaag te brengen. Het is nooit mogelijk om alle oöcysten te verwijderen, omdat deze zeer lang kunnen overleven in kieren en naden in de vloer of de omgeving.
Als er vragen zijn met betrekking tot het inzetten van anticoxmiddelen kunt u altijd contact opnemen met uw voorlichter.